Menu


Afscheid van Willem Van Hout

Dirigent Willem Van Hout : slotakkoord

In november zwaaiden we dirigent Willem Van Hout uit na een ongelooflijke carrière van dertig jaar. Tijd om wat herinneringen op te halen.

Om mijn prilste herinnering aan Willem Van Hout op te rakelen moet ik een flink eind terug in de tijd. De dieren spraken nog, meisjes kusten nog kikkers in de hoop dat ze in een koningskind zouden veranderen. Zelf was ik een brulkikker die zijn prinses tegenkwam, maar ‘t kwaken ben ik nooit verleerd. Kort samengevat: in die tijd was ik nog vrij jong.
Wijlen Jef Herrijgers nam me destijds zowat overal mee op sleeptouw en zo waren we samen aanwezig op een Algemene Vergadering van de Kalmthoutse Cultuurraad. Het speelde zich af in de lokalen van Gitok. Dergelijke vergaderingen, zeker in die tijd, puilen nooit uit van animositeit, maar die AV, ergens halfweg de jaren zeventig, was anders. Iemand uit de zaal nam het woord, ik meen me te herinneren dat hij dirigent was van een muziekvereniging. Geen idéé meer waar de discussie om draaide, maar wat me wel nog zo voor ogen komt, was een scherp ogende man die opstond, de woordvoerder kregel onderbrak en met enkele snedige opmerkingen brandhout van diens relaas maakte. Iedereen gelijk terug wakker. Jef Herrijgers keerde zich naar mij met half dichtgeknepen pretoogjes : “Dat is Willem Van Hout, directeur van de muziekschool, daar gaan we nog plezier aan beleven.” Of hoe Jef Herrijgers ergens een “Madame Soleil” in zich verborgen hield. Zo zei hij me eens : “als jij naar de muziekschool ging, zou je kunnen uitgroeien tot een hele goeie muzikant”. Hij kon natuurlijk ook niet altijd gelijk hebben.

Een aantal jaren later schreef ik me in, het was ondertussen september 1981, aan de Muziekschool der Noorderkempen. Ik niet alleen, maar nog een achttal anderen gingen mee naar dat volwassenenonderwijs. Onze docent was… Willem Van Hout. Daar leerden we hem kennen als een gedreven leermeester met één doel voor ogen : ook de zwakste van de klas moest na drie jaar vlot noten kunnen lezen en er zich van bewust zijn dat muziek meer is dan wat er ons via de popradio wordt ingepompt.

Het tweede moment dat in mijn herinnering staat gegrift, is een vergadering in de keuken bij Jef Herrijgers. Onze fanfare sleepte zich zieltogend naar wat een onafwendbaar einde leek. Jef Herrijgers zag in Willem Van Hout nog een allerlaatste strohalm en klemde zich met beide handen vast, niet van plan om snel te los te laten.
Voor wie mij er straks van zou kunnen verdenken dat ik overdrijf om het succesverhaal van Willem Van Hout wat extra bij te kleuren, eerst dit tussendoortje : in februari 1981 vierde De Heidebloem het zestig jaar bestaan van de vereniging. Die was evenwel zelf niet meer in staat om dat muzikaal te onderstrepen. Na een desastreuze deelname aan een muziekwedstrijd in Loenhout, in 1980, was elke vorm van samenhang binnen de vereniging verschwunden. Het restant was dertien spelende leden (ze muzikanten noemen zou te veel eer zijn) terwijl er ….zestien mensen (zestien mannen!) in het bestuur zaten. Ik tel hier niet eens de twee vertegenwoordigers van het majorettekorps bij en de erevoorzitter die ook alle vergaderingen aanwezig waren. Naast dat bestuur bestond er ook nog een werkgroep Maatjesfeesten (nog eens een tiental mannen), een werkgroep majorettes én een werkgroep muzikanten (nog een keer zeven mannen). Zelfs rekening houdend met het feit dat een aantal zielen in meer dan één bestuur en werkgroep een stoel warm hielden, zou ik toch die goeie ouwe Pol Van den Boeynants willen citeren : “Trop is teveel, teveel is trop”. Maar het is wel met dat zootje ongeregeld dat Willem Van Hout dertig jaar geleden aan de slag moest. Een opdracht die van aan de zijlijn druk werd becommentarieerd met “onmogelijk”, “gekkenwerk”, “tijdverlies”, om de properste bewoordingen er uit te lichten.

Een eerste vergadering waarop Willem Van Hout werd uitgenodigd, liep op een sisser af. Samen aan de keukentafel bij Jef Herrijgers bleken de neuzen bij De Heidebloem lang niet allemaal in dezelfde richting te staan en Willem Van Hout bedankte feestelijk om zich in dat wespennest te begeven. Nochtans lag deze vergadering aan de basis van het inschrijven in de muziekschool door negen fanfareleden, in navolging van Pierre Van Gastel en Marcel Van Gool die al eerder het licht hadden gezien.
Maar Jef Herrijgers liet zich niet zo maar afpoeieren en had zich als een pitbull vastgebeten in zijn voornemen om de Heidebloem uit het slop te halen met de hulp van de muziekschooldirecteur. Tot zijn eigen voldoening én onze verbazing wist hij Willem Van Hout een tweede keer te overhalen mee rond de tafel te zitten. Dit keer deed Jef het stiekem, achter de rug van het bestuur, samen met een handvol muzikanten waarvan hij wist, of veronderstelde, dat ze op dezelfde golflengte zaten als hijzelf. Kort voor zijn overlijden heeft Jef me verteld dat hij daar altijd een dubbel gevoel aan heeft overgehouden. Hij voelde het aan als verraad plegen tegenover een aantal bestuursmensen die op dat moment al dertig, veertig, vijftig, zelfs zestig jaar van hun leven geïnvesteerd hadden in De Heidebloem. Daar tegenover stond zijn overtuiging dat er geen enkel alternatief meer bestond om de vereniging te redden.
Jef had zich langs de neus weg laten ontvallen dat hij heimelijk hoopte dat Willem Van Hout zelf op die uitnodiging in zou gaan om dirigent bij de Heidebloem te worden. Niemand van ons (in casu de werkgroep muzikanten, die nu bijna allemaal les volgden aan de muziekschool) had het lef om hem dat op de man af te vragen. “Een bangerik krijgt ook slaag”, zei Jef, en tijdens die vergadering gooide hij het zelf op tafel. Het bleef een tijdje stil aan de overkant. “Over welke muzikanten beschik je”, vroeg hij toen. Hij draaide zijn sigarendoosje om en begon te noteren. Ze konden probleemloos op de achterkant. Na weer een stilte (ik vermoed dat hij wachtte tot we met de rest van de bezetting boven tafel kwamen, maar ons lijstje was op) sprak hij : “Dit is niet eenvoudig, je kunt dit niet aan om het even wie vragen. Ik heb iemand voor jullie in gedachten, maar die heeft onvoldoende ervaring. Ik ga dit zelf een half jaar doen en daarna kan hij overnemen.”
(Recent heb ik pas vernomen dat we dat te danken hadden aan zijn vrouw. Die had meer medelijden met ons dan hij, zo bleek. Zij heeft hem aangemoedigd om ons uit de miserie te helpen, met haar steun)
In diezelfde periode had ik op BRT3 (het latere Klara) een kamerorkest horen aankondigen door een stem die bulkte van respect voor de dirigent, in dat geval, jawel, Willem Van Hout. De muziek die volgde was niet echt van het toegankelijke type, niet mijn kopje thee, maar dat zegt meer over mijn muzikale ontwikkeling dan over die muziek. Maar die Willem Van Hout dus, in muziekmiddens een naam klinkend als Klokke Roeland, een man met een reputatie om U tegen te zeggen, docent aan het conservatorium in Brussel, directeur van de Muziekschool der Noorderkempen en een curriculum vitae met de omvang van de weekendeditie van uw krant, die man ging zich bezig houden met de restanten van onze dorpsfanfare. De muzikanten die bij Jef mee aan de keukentafel zaten, had hij op slag in zijn zak zitten. De rest volgde moeiteloos na één repetitie.

Op die eerste repetitie bleek dat hij niet alleen muzikaal hoog op de ladder stond, maar dat hij als strateeg en psycholoog ook over de nodige bagage beschikte. Na amper een luttele tien minuten onderbrak hij het repeteren en kregen de muzikanten een korte maar vermanende preek. Tijdens die eerste bijeenkomst bij Jef Herrijgers was het hem niet ontgaan dat onderlinge samenhang onbestaande was (wat wil je, het water stond ons aan de lippen, af en toe ontglipte er al een onderdrukte blub). Wilde de vereniging overleven moest er hoogdringend werk worden gemaakt van een positief “wij-gevoel”. Tijdens dit eerste jaar als dirigent heeft hem dat minstens evenveel hoofdbrekens bezorgd als het opbouwen van de muzikale kwaliteit. Gedurende de volgende dertig jaar bleef hij overigens steeds alert reageren op negatieve vibraties die al eens het kopje durfden opsteken. Die antenne van hem die elke wrevel, iedere negatieve oprisping registreerde, maakte gedurende zijn carrière bij de Heidebloem, dikwijls het verschil tussen groei en stilstand.

Toen dat eerste beloofde jaar bijna om was en het dus tijd werd voor zijn opvolger, meldde hij droog dat die nog niet voldoende onderlegd was om nu al zijn schouders onder de Heidebloem te kunnen zetten. Hij had, volkomen terecht, schrik dat wat hij in die korte tijd opgebouwd had, nog te zwakke fundamenten had om al overeind te blijven. Hij deelde mee dat hij nog één jaar langer de leiding op zich zou nemen. Sindsdien hebben we niks meer vernomen over mogelijke opvolgers, tot enige tijd geleden.

Nog tijdens de “keukentafelvergaderingen” bij Jef Herrijgers had Willem Van Hout onderstreept dat er nog slechts een toekomst voor onze vereniging zou zijn, als we bereid waren om abrupt en resoluut te breken met het verleden.
Overal om ons heen hadden wij stapfanfares en harmonies zien omvormen tot concertorkesten terwijl wij halsstarrig waren blijven aanmodderen met een filosofie van “als-de-repetitie-niet-te-lang-duurt-kunnen-we-er-straks-eentje-meer-drinken”. Dat de wereld zowaar was veranderd zonder ons daarvan in te lichten, was pas min of meer doorgedrongen na de eerder vermelde muziekwedstrijd in 1980. De wedstrijdjury kwam letterlijk papier te kort om hun kritiek te ventileren.
Breken met het verleden betekende : kiezen voor het concertorkest. Dat hield in dat er een breuk zou ontstaan tussen de fanfare en het toenmalige majorettenkorps. Die majorettes werkten op het einde van de jaren zeventig veel gestructureerder, gedisciplineerder en kenden meer succes dan de muzikale afdeling van de Heidebloem. Het viel te verwachten dat dit korps op haar beurt de wind uit de zeilen zou worden genomen als een nieuwe weg werd ingeslagen. Die aftakeling kwam er ook. Ei zo na verdween de afdeling, maar sinds de eeuwwisseling zijn ze, nu als twirlers, helemaal terug. Tijdens die magere jaren van het majorettenkorps werd met een verwijtende vinger richting Willem Van Hout gewezen. Niet dat hij er zijn slaap voor gelaten heeft, maar de schuld op zijn rug schuiven, was wat kort door de bocht. Zonder het ingrijpende optreden van Van Hout was er sinds de jaren tachtig van de Heidebloem gewoon geen sprake meer geweest. Dat debacle zou het majorettenkorps, succesvol of niet, gewoon in zijn vrije val hebben meegezogen. Het resultaat was wellicht fataler geweest dan nu het geval was.

Breken met het verleden betekende ook : resoluut kappen met het imago van “caféfanfareke”. Zo had Jef Herrijgers het ook begrepen en hij lobbyde bij zijn netwerken tot de vereniging een onderkomen kreeg in één van de leegstaande lokalen van de jongensschool op de Wuustwezelsteenweg.
Het verleden laten voor wat het was, vroeg ook van alle leden en potentiële leden een fikse inspanning. De opleiding van de muzikanten gebeurde niet langer in eigen beheer, maar leerlingen werden naar de muziekschool gestuurd voor een degelijke vorming.
Zulks lag destijds gevoeliger dan je nu kunt inbeelden. De muziekschool was in Nieuwmoer niet populair. De oudere generatie muzikanten zette de stekels al op telkens iemand maar het woord “muziekschool” durfde prevelen. Nochtans had “Vlijt en Eendracht” uit Kalmthout al een decennium lang bewezen dat er best een gezonde samenwerking kon bestaan tussen muziekverenigingen en de school. Maar om Joost-mag-weten-welke-reden was er ook een diepgewortelde naijver tussen “V&E Kalmthout” en Nieuwmoer. En eigenlijk ook wel tussen “Bos en Hei” en De Heidebloem. En tussen de muzikanten van Achterbroek en die van Nieuwmoer. En die van Wildert en Nieuwmoer. De samenwerking met “Concordia” Essen was nihil en met de Statievrienden was het, laten we zeggen, geen peis en vree. Het leek Klein Heidebloempje tegen de Grote Boze Wereld. De Heidebloem had last van een misplaatst calimero-complex maar koesterde een narcisme dat zelfs door Homerus moeilijk in woorden te vatten zou zijn geweest.
Kappen met het verleden had ook zo zijn invloed op de muzikale organisaties. Muziekavonden werden tot dan toe georganiseerd met zoveel mogelijk verenigingen. Het voordeel daarvan was dat je jezelf verzekerd wist van een volle zaal belangstellenden (de “Lenteparade” was een jaarlijkse muziekavond samen met fanfare, trommelkorps, majorettes, kinderkoor, Rietsanck, Avondgalm,…waarvoor de parochiezaal te klein was). Nee, er moest een eigen concert op poten worden gezet. In 1983 werd uit dit idee het eerste lenteconcert geboren. Wij waren als de dood dat er geen volk in de zaal zou zitten en tot onze verbijstering werd die vrees waarheid. Vijftig personen, ik vermoed echtgenoten en kinderen die zich verplicht voelden hun steun te betuigen, namen plaats in de zaal. De helft kwam wel te laat en pas tegen de pauze was iedereen binnen. “Nieuwmoers uur” was immers ook definitief geschiedenis. Voortaan kon je een uurwerk juist zetten op het aanvangsuur van onze concerten. Maar Willem Van Hout reageerde laconiek. “Je moet van niks beginnen en gewoon steeds betere muziek brengen, dan groeit dat publiek automatisch aan en binnen drie jaar is iedereen op tijd.” Op dat moment was hij wellicht de enige die er gerust op was.
Maar, zoals wel vaker zou blijken, hij kreeg gelijk.

Het laatste wat nog nodig was, was dan wel niet op vraag van Willem Van Hout, maar gezien de ingewikkelde en breed vertakte organisatorische structuur van de vereniging, moest door al die bestuurtjes en werkgroepen de grove borstel worden gehaald en grote schoonmaak worden gehouden. Een paar werkgroepen verloren hun bestaansreden, werden zonder meer opgeheven en het bestuur werd opengetrokken voor jonge mensen. De oudste bestuursleden werden ondergebracht in een “Raad van Verdienste”, waardoor ze niet meer de feitelijke organisatie van de vereniging moesten dragen, maar wel nog steeds een adviserende stem hadden.

De grote woorden worden tegenwoordig door onze politieke leiders niet geschuwd om aan te tonen dat ze heel hard werken aan ingrijpende veranderingen, maar wat Jef Herrijgers en Willem Van Hout in 1981 samen realiseerden met de Heidebloem, wel dat was nu eens wat je kunt verstaan onder een “copernicaanse omwenteling”.

In een jaar tijd groeide de Heidebloem naar vijfentwintig muzikanten. Het liep naar behoren, maar daarom nog niet altijd van een leien dakje. Vooral in de eerste jaren durfde al eens een dipje om het hoekje komen kijken als het om concentratie en opoffering ging. Wie er bij was herinnert zich stellig nog het concert dat we op uitnodiging speelden bij de muziekvereniging “De Werker”, in het Volkshuis in Essen. Een aantal muzikanten kwam om een of andere reden niet opdagen, waardoor het orkest al kreupel aan het concert begon. Wie er wel was, zat er kwansuis niet echt attent bij en je zag nummer na nummer de onweerswolk boven het hoofd van dirigent Van Hout aanzwellen. De grote uitbarsting kwam er nochtans niet, maar droog kwam de mededeling dat er in de loop van de week een strafrepetitie zou volgen om wat puntjes op de i te zetten. Niemand die het in zijn bolle hoofd haalde om tegen te pruttelen en op woensdagavond zat iedereen op het puntje van zijn stoel aan de pupiter. Waarna Willem Van Hout zijn muzikanten weer onmiddellijk zalvend in de armen sloot en hen aanmoedigde om de rol nu niet meer terug te lossen.
Niet dat hij zich altijd zo diplomatisch opstelde. Het is wel eens voorgevallen dat hij op een generale repetitie in de parochiezaal stampvoetend van koleire de vereniging tot de orde riep. Alle muzikanten werden muisstil. Hij dacht wellicht dat ze terdege onder de indruk waren van zijn performance. In werkelijkheid hielden ze de adem in omdat hij stond te springen op het souffleurdeksel in de vloer.

In 1987 was de tijd rijp om het verrichte werk te toetsen bij een professionele jury. Er werd ingeschreven voor een selectiewedstrijd van het provinciaal Fedekam-kampioenschap. Moeiteloos werd die selectie gehaald. Daarna ging het snel : provinciaal kampioen in derde afdeling, nationaal kampioen in derde ; provinciaal kampioen in tweede ; nationaal kampioen in tweede ; bevestiging in eerste afdeling in 1994. De vereniging klom als een speer naar een respectabel niveau.
Nog een van die beklijvende momenten : nadat de nationale titel in derde afdeling op het palmares was bijgeschreven (tijdens een concertwedstrijd in Neeroeteren), was er bij de thuiskomst nog een gezellige nababbel. Zoals bij onervaren kampioenen wel eens voor durft vallen, zweefden we op roze wolkjes, een aantal centimeters naast onze schoenen. Willem Van Hout ging naar het bord en tekende een ladder met een stuk of wat sporten. “Toen ik in 1981 hier kwam, stonden jullie nog op de grond”, zei hij, “vandaag staan jullie hier”, en hij zette een kruisje op de eerste sport.
Baf, we lagen terug in de Vlaamse klei, nuchter en wel. Terwijl we onze veters terug knoopten, sputterden we nog wat van “heb je die ladder niet teveel sporten gegeven”, maar Willem was onverbiddelijk : “vanaf hier begint het pas.”
Misschien was dat wel een van zijn sterkste punten : iedereen met de voetjes op de grond houden. Zwevende muzikanten werden steevast uit de lucht geplukt, dromers werden wakker geschud en bij wie zichzelf voorbij durfde lopen, werd de ketting iets strakker aangehaald. Daar tegenover stond dat hij al wie zich de mindere voelde tegenover de collega’s, op zijn ruggensteun kon rekenen. Die werd aangespoord, het zelfvertrouwen opgekrikt, bijgeschoold met eindeloos geduld en geloof in eigen kunnen werd er in gehamerd.
Op die manier heeft hij secuur, zorgzaam, er constant op lettend dat het draagvlak zo breed mogelijk bleef, de vereniging van afdeling naar afdeling naar uitmuntendheid gestuwd. En, niet onbelangrijk, hij deed het met alleen eigen muzikanten. Alleen als iemand door onvoorziene omstandigheden niet kon deelnemen aan een muziekwedstrijd, pas dan kon eventueel beroep gedaan worden op een bevriende muzikant. Des te beter smaakte het resultaat daarna. Ons orkest dat regionaal concerten speelde was identiek aan het orkest dat op het podium zat bij de muziekconcours. Er zijn nog niet te veel muziekverenigingen die dat hardop durven zeggen.

Gedurende die gestage groei waren er uiteraard fantastische momenten die voor eeuwig in ons geheugen staan gebeiteld. Het meest memorabele was zonder twijfel het kerstconcert, tezamen met de bas-bariton Frans Van Eetvelt. Na Jan Van Dam was hij in België één van de meest tot de verbeelding sprekende operastemmen en die man kwam zomaar samen met ons musiceren!
Maar daarnaast waren er heus wel meer concerten die beklijvende momenten opleverden. Samen met sopraan Lutgard Peeters bijvoorbeeld. De herinnering aan haar “Non so Piu“ bezorgt me nog steeds het kippenvel. Een erg geestig concert beleefden we met de “Bargoed Male Voice Choire” uit Wales. Zulke goedgemutste levensgenieters op doorreis in België. Nauwelijks één dag vertoefden ze in Nieuwmoer, maar bij het afscheid leek het alsof we elkaar al jàren kenden. Ook de “Ode aan Jan Marijnissen” zit in het schuifje met diezelfde noemer “Niet Te Vergeten Concerten”. Magische momenten doorvlochten die samenwerking met Ivan en Mike Smeulders.

Dankzij Willem Van Hout werden de grenzen ook letterlijk verruimd. Tot driemaal toe was De Heidebloem te gast in Holzgau, Tirol. Het laatste bezoek aan het mooie Oostenrijk dateert inmiddels al van tien jaar geleden, maar de herinneringen worden nog steeds levendig gehouden door iedereen die ze mocht meebeleven. De laatste tijd, begrijpelijk, nu we aan het einde van een tijdperk staan, zelfs weer iets meer dan voorheen.
Aan die reizen hebben we onze Heathflower Bigband overgehouden. Voor die muzikale meerdaagse reizen konden wij rekenen op de steun van een Oostenrijkse sponsor. Daar moest uiteraard wel wat tegenover staan, namelijk : een bigbandoptreden in diens etablissement. Ons kwam het voor als een moeilijk te omzeilen probleem, maar Willem Van Hout zag daar geen graten in. Op een zondagmorgen, het moet eind april 1991 zijn geweest, kwam hij het repetitielokaal binnen, de armen volgestouwd met muziekmappen. Zonder veel poeha begon hij Chinese vrijwilligers aan te duiden : jij doet mee, jij, jij, …, stopte iedereen een map in de handen en “woensdagavond repetitie”. Die beduusde muzikanten speelden een half jaar later wel de pannen van het dak met de meest bekende Glenn Miller-nummers.
De bigband zou de daaropvolgende jaren ook zijn topmomenten kennen. Weinig amateurorkesten kunnen er prat op gaan dat ze voor vierduizend mensen in de Genkse Limburghallen hebben gespeeld.

Willem Van Hout is een controlefanaticus met een absoluut gehoor en die niet van verrassingen houdt. Het leverde soms grappige situaties op. Voor een sinterklaasfeest moest er volgens het scenario vals gespeeld worden. Zelfs die partituur werd volledig uitgeschreven, inclusief valse noten.
Daarnaast beschikt de man over een onwaarschijnlijke instrumentenkennis en een verbazend vermogen om arrangementen uit te schrijven, op maat gemaakt voor zijn orkest.
Dit orkest was en is zijn kind. Hij heeft ons muzikaal bevaderd, streng, heel erg streng, maar vooral rechtvaardig. Het valt niet te tellen hoe vaak we hem verwenst hebben, achter zijn rug gemopperd, om zijn onverzettelijkheid. Om achteraf schoorvoetend te moeten toegeven dat hij het weer eens bij het rechte eind had.
Precies omdat hij ieder van onze muzikanten van begin af heeft kunnen kneden en vormen, kende hij zijn pappenheimers zoals geen ander. Met aandacht voor ieders sterkste punten en zwakke kantjes, destilleerde hij minutieus een muziekvereniging met een geheel eigen karakter en geluid. In ruil vroeg hij een bijna onvoorwaardelijk vertrouwen en een terdege inzet bij de voorbereiding op de muzikale activiteiten. Waarbij hij zelf meteen weer heet voortouw nam om het goeie voorbeeld te geven. Vakantie nemen bijvoorbeeld, dat deed hij dertig jaar lang enkel en alleen als het de vereniging goed uitkwam.

Willem Van Hout, heet een sfinx te zijn, een ijskonijn, gesloten als een oester. Maar wie het voorrecht heeft om af en toe onder die schelp te mogen gluren, treft daar een gevoelige, meelevende, betrokken persoonlijkheid.
Nu hij zijn zorgenkindje loslaat is het niet moeilijk je in te beelden dat hij bekommerd is om de toekomst van die oogappel. Hij vreest de kater na de kermis. Bang dat aan het einde van het verhaal, de betovering verbroken zal worden en zijn koninklijke vereniging terug zal keren naar de oude kikkerpoel. Hij mag wel niet uit het oog verliezen dat hij ons nadrukkelijk in de oren heeft doen knopen om onder alle omstandigheden nuchter te blijven. We worden graag betoverd, maar in sprookjes geloven we al lang niet meer. Als je wat wil bereiken, moet je er hard voor willen werken. Als je vervolgens het behaalde resultaat wil behouden, vraagt dat zo mogelijk een nog grotere inspanning.

Ik wil besluiten met de woorden van de voorzitter van “Vlijt en Eendracht”, de muziekvereniging van Kalmthout. Na ons gastconcert in oktober nam die de gelegenheid te baat om onze muziekmeester te feliciteren en te onderstrepen in welke mate hij tijdens zijn carrière het muzikale leven in de Noorderkempen had beïnvloed. Hij richtte zich tot onze dirigent met de woorden : “Meneer Van Hout, waarom heb ik het altijd zo moeilijk gehad om Willem tegen u te zeggen”. De spijker op de kop. Niemand heeft het ooit moeilijk gehad om meneer tegen hem te zeggen. Mensen die een grenzeloos respect afdwingen bij vriend en vijand, ze zijn schaars als witte merels.

“Wij zijn blij dat we Willem Van Hout dertig jaar lang als dirigent hebben mogen kennen”, is een understatement, maar ik vindt echt de woorden niet die voldoende omschrijven hoeveel hij voor ons heeft betekend.
Muzikaal scheiden onze wegen, maar loslaten, dat doe je niet met iemand die zo’n impact op je heeft gehad dat hij is vergroeid met wie je zelf bent geworden.

Meneer Van Hout, het gaat u goed, en alstublieft, verlies ons niet uit het oog.

 

Archief > Afscheid van Willem Van Hout


Muziekvereniging De Heidebloem

Secretariaat:
Steenovenstraat 59
2910 ESSEN-WILDERT
Tel: 03/667 49 96

Zoeken

U kan ook rechtstreeks zoeken naar een bepaald onderwerp. Vul hieronder uw zoekopdracht in: